“ Just another manic mom-day”
Woensdagmiddag, iets na 12.
Oliver en ik wandelen hand in hand de oprit van de crèche af en mengen ons tussen de schoolpoortstoet die op dat moment door het straat passeert. Trots noemt hij in zijn allerzoetste kinderstemmetje alles op dat hij ziet passeren op straat: ‘auto’, ‘nog een auto’, ‘fiets’, ‘auto’, ‘bus’, ‘fiets’.
Wanneer hij onze auto herkent, remmen zijn enthousiaste en zelfzekere passen af.
Oh, oow…
Opeens voel ik een licht snokje aan mijn arm. Hij staat stil en verzet geen voetje meer. Half smekend, half paniekerig roept hij ‘nee, stappe’
Wat zoveel betekend als ‘ik wil écht niet met de auto rijden en NO WAY dat ik daar nu in ga zitten’…Uit eigen ervaring besef ik ondertussen dat mijn volgende ‘zet’ nu van cruciaal belang is.
Ik doe een twijfelachtige poging om hem kalm te overtuigen dat hij ‘thuis kan stappen’. En voor een secondje denk ik écht dat het gelukt is.
‘Nee, stappeeuueeuueeuu!’ jammert hij al clichéstampend met zijn voetjes op de grond terwijl hij me aan mijn arm terug de andere kant op wil trekken. Zijn ogen schieten instant vol tranen en het trillende pruillipje is ook van de partij.
Oh, oow…
In een flits doe ik een vliegensvlugge, wanhopige, maar vooral domme poging om hem in de autostoel te krijgen. Dat blijkt al direct onbegonnen werk. Het verrassingseffect heeft niet gewerkt. Hij doet die altijd efficiënte dolfijnenbeweging waar ik niks tegen kan beginnen en voor ik het weet hangt hij ergens halverwege tussen mij, de stoep en de auto.
Ik probeer het nog eens en nog eens, maar hij heeft het ondertussen op een brullen gezet en raapt al zijn dolfijnenkracht bij elkaar. Ik kan hier niet tegenop. En ik durf ook niet meer, want zo langzamerhand begint het hier op een ontvoering te lijken.
Eventjes speel ik met het idee om hem gewoon bij mij op schoot te pakken achter het stuur, maar dat wordt al snel opgevolgd door een hele reeks intrusieve gedachten, dus toch maar niet.
De situatie is geëscaleerd en er zit nu niks anders meer op dan de krijsende, schreeuwende, huilende, in het rondslaande peuter voorzichtig los te laten. Hij wurmt zich helemaal uit mijn armen en laat zich languit in het midden van de stoep dramatisch op de grond vallen.
Oh, oow…
Die. doen. dat. dus. écht.
Wat nu?
Ik besluit eventjes niks te doen uit gebrek aan ideeën.
Dus sta ik daar maar te staan, zoals dat kinderliedje ‘ik stond erbij en ik keek ernaar. ‘ Maar dan zonder broodjes en minder grappig.
Het schoolpoortverkeer is stilgevallen en de rust is, buiten deze stoeptantrum, terug aan het keren in de straat.
Eén van de laatst overgebleven mama’s in de schoolpoortstoet komt in onze richting gewandeld. Ze heeft haar dochtertje opgehaald met de buggy. Oliver ligt in het midden van de stoep, dus ik doe wat volgens mij het beste is in deze situatie en probeer hem ‘wat aan de kant te leggen’ – slecht plan, gewoon afblijven.
De andere mama manoeuvreert vlotjes voorbij de rondvliegende armpjes en beentjes. Verontschuldigend kijk ik naar haar op. Ze ontmoet me met een meelevende en vriendelijke blik. ‘We hebben het allemaal meegemaakt’ steekt ze me een hart onder de riem. Met een lieve glimlach neemt ze afscheid en wandelt verder.
Het doet deugd die woorden, de vriendelijke blik, de steun, het niet-oordelen, het begrip.
Uiteindelijk wordt het protest op de stoep rustiger tot het snikken helemaal stopt. En met de woorden ‘mama, pakken’ kondigt hij officieel het einde aan.
In de staart van de stoet rijden ook wij nu naar huis.
X,
Gussie
Ps: Dankjewel, andere mama! Ik weet niet wie je bent, maar je lieve woorden op dit ongelukkig moment gaven me zelfvertrouwen en steun. Je maakte mijn dag terug een stukje mooier.







Plaats een reactie